1 Hoe lang, o HEER, mijn Toeverlaat,
Vergeet Gij mijnen jammerstaat?
Hoe lang zult Gij, in mijn ellenden,
Van mij Uw vriend'lijk aanschijn wenden,
Daar al mijn moed en kracht vergaat?
2 Hoe lang zal ik, door tegenheên,
In 't hart vergeefs ontwerpen smeên,
En vrucht'loos schreien ganse dagen?
Hoe lang zal mij mijn vijand plagen,
En mij verachtelijk vertreên.
3 Aanschouw mijn ramp, verhoor mij, HEER,
Ai, zie op al mijn lijden neer;
Verlicht, mijn God, verlicht mijn ogen,
En laat Uw goedheid niet gedogen,
Dat mij de slaap des doods verteer'.
4 Opdat de vijand, die mij haat,
Niet juich' in mijn bedrukten staat,
Mij nooit van God verlaten noeme,
Noch in mijn wank'len zich beroeme,
Dat mij hun overmacht verslaat.
5 Maar, in dit smartelijk verdriet,
Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet;
Neen, 't zal zich in Uw heil verblijden
Ik zal den HEER mijn lofzang wijden,
Die mij genadig bijstand biedt.
| Text Information | |
|---|---|
| First Line: | Hoe lang, o Heer, mijn Toeverlaat |
| Language: | Dutch |
| Publication Date: | 1933 |
| Scripture: | |
| Topic: | Voor Land en Kerk: In tijden van vervolging |
| Tune Information | |
|---|---|
| Name: | [Hoe lang, o Heer, mijn Toeverlaat] |
| Key: | d minor or modal |