Go Ad-Free
If you regularly use Hymnary.org, enhance your experience with Hymnary Pro—ad-free browsing plus powerful tools for planning, discovery and customization.
1 Wie zal verkeren, grote God,
In Uwe tent? Wien zult Gij kronen
Met zulk een onwaardeerbaar lot,
Dat hij, bij 't heug'lijkst gunstgenot,
Uw heilig Sin moog' bewonen?
2 Die in zijn wandel zich oprecht
En wars betoont van valse streken;
Zijn aandacht aan Uw wetten hecht;
Zich op de deugd met ijver legt,
En waarheid met zijn hart blijft spreken.
3 Die met zijn tong niet achterklapt;
Geen kwaad doet aan zijn metgezellen;
Niet in het spoor van laster stapt;
Maar, zo men iemands eer vertrapt,
Dien smaad wil horen noch vertellen.
4 Wiens oog verworpenen veracht,
Maar hen eerbiedigt, die God vrezen;
Die zich voor roek'loos zweren wacht,
Doch 't geen hij zweert, getrouw betracht,
Al zou 't hem ook tot schade wezen.
5 Die nooit zijn geld op woeker geeft;
Die, d' onschuld en het recht genegen,
Het oog op geen geschenken heeft.
Wie dus oprecht en deugdzaam leeft,
Zal nimmer wank'len op zijn wegen.
| Text Information | |
|---|---|
| First Line: | Wie zal verkeren, grote God |
| Language: | Dutch |
| Publication Date: | 1933 |
| Scripture: | |
| Topic: | Bij Plechtige Gelegenheden: Bij de Voorbereiding to het Heilig Avondmaal; Bij het Verklaren van den Heidelbergsen Catechismus: Van de sleutelen des hemelrijk |
| Tune Information | |
|---|---|
| Name: | [Wie zal verkeren, grote God] |
| Key: | B♭ Major |