1 De God des heils wil mij ten herder wezen;
'k Heb geen gebrek, 'k heb geen gevaar to vrezen.
Hij zal mij zacht, in lifelijke weiden,
Aan d' oevers van zeer stille waat'ren, leiden.
Hij sterkt mijn ziel; richt, om Zijn naam, mijn treden
In 't effen spoor van Zijn gerechtigheden.
2 Ik vrees niet, neen, schoon ik door duist're dalen,
In doodsgevaar, bekommerd om moest dwalen;
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden.
Gij troost mijn ziel, en richt, in mededogen,
De tafel aan, voor mijner hatt'ren ogen.
3 Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien,
En van Uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door Uw gunst gegeven,
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;
Zodat ik in het heilig huis des HEEREN,
Een lange reeks van dagen, blijf verkeren.
| Text Information | |
|---|---|
| First Line: | De God des heils wil mij ten herder wezen |
| Language: | Dutch |
| Publication Date: | 1933 |
| Scripture: | |
| Topic: | Bij Plechtige Gelegenheden: Op het Heilig Avondmaal; Bij het Verklaren van den Heidelbergsen Catechismus: Van het H. Avondmaal |
| Tune Information | |
|---|---|
| Name: | [De God des heils wil mij ten herder wezen] |
| Key: | g minor |