1 Al d' aard' en alles wat zij geeft,
Met al wat zich beweegt en leeft,
Zijn 't wettig eigendom des HEEREN.
Hij heeft z', in haren ochtendstond,
Op ongemeten zeên gegrond,
Doorsneden met rivier en meren.
2 Wie klimt den berg des HEEREN op?
Wie zal dien Godgewijden top,
Voor 't oog van Sions God, betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdelheid verpandt,
En geen bedrog pleegt in zijn eden.
3 Die zal, door 's HEEREN gunst geleid,
En zegen en gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen.
Dit 's Jakob, dit is 't vroom geslacht,
Dat naar God vraagt, Zijn wet betracht,
En zoekt Zijn aanschijn met verlangen.
4 Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Rjst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog,
Opdat de Koning in moog' rijden.
Wie is die Vorst, zo groot en eer?
't Is God, d' almachtig' Opperheer;
't Is God, geweldig in het strijden.
5 Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Rijst, eeuw'ge deuren, rijst omhoog;
Opdat g' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.
| Text Information | |
|---|---|
| First Line: | Al d' aard' en alles wat zij geeft |
| Language: | Dutch |
| Publication Date: | 1933 |
| Scripture: | |
| Topic: | Bij Plechtige Gelegenheden: Bij de Voorbereiding to het Heilig Avondmaal; Bij het Verklaren van den Heidelbergsen Catechismus: Van de sleutelen des hemelrijk; Bij het Verklaren van den Heidelbergsen Catechismus: Van den eed |
| Tune Information | |
|---|---|
| Name: | [Al d' aard' en alles wat zij geeft] |
| Key: | F Major or modal |